Oplossingen



 

In april 2024 is het wetsvoorstel versterking auteurscontractenrecht ingediend bij de Tweede Kamer. Een complex wetsvoorstel, vanwege de vele deelmarkten en de daardoor noodzakelijke specifieke regelingen in de Auteurswet en de Wet op Naburige Rechten. Doelstelling van dit wetsvoorstel is makers (auteurs en artiesten) beter te beschermen ten opzichte van de exploitanten van hun werk. Hierdoor kunnen zij beter delen in de opbrengst van de exploitatie van hun werk en kunnen zij hun rechten eenvoudiger herkrijgen wanneer de exploitant die niet of onvoldoende exploiteert. De Kamerleden gaan zich de komende maanden over dit wetsvoorstel buigen. Platform Makers heeft de Kamerleden schriftelijk laten weten dat dit wetvoorstel op diverse punten te weinig houvast biedt aan de makers en roept hen op om het wetsvoorstel aan te scherpen.

De belangrijkste punten:

1. Collectief onderhandelen
Zorg voor collectieve oplossingen. Makers hebben nu individuele rechten om op te treden tegen onredelijke contractvoorwaarden. Maar dat werkt – ook volgens het in opdracht van de regering uitgevoerde WODC-onderzoek – niet. De markt functioneert niet. Lastige makers moeten vrezen op een (spreekwoordelijke) zwarte lijst gezet te worden wanneer zij van hun individuele rechten gebruik maken.

2. Garantie op het maken en nakomen van afspraken
Het wetsvoorstel vereenvoudigt weliswaar de mogelijkheid tot collectief onderhandelen door bijvoorbeeld vakbonden en beroepsorganisaties deze mogelijkheid te geven. Maar het wetsvoorstel biedt geen stok achter de deur om de sterke marktpartijen ook daadwerkelijk aan de onderhandelingstafel te dwingen. Noch om ervoor te zorgen dat marktpartijen zich houden aan gemaakte afspraken. Zonder een stok achter de deur blijft de mogelijkheid tot collectief onderhandelen grotendeels een ‘dode letter’. Van belang is strakke monitoring door de overheid op het tot stand komen van toegezegde onderhandelingsgesprekken en op het nakomen van gedane toezeggingen. Introduceer de wettelijke mogelijkheid (en daadwerkelijke bereidheid) zo nodig in te grijpen. Geef de makersorganisaties de mogelijkheid tot een zogenaamd eenzijdig advies aan de Minister voor Cultuur om redelijke tarieven vast te stellen indien onderhandelingen geen resultaat opleveren.

3. Veranker eerlijke contracten in subsidievoorwaarden
Verplicht door de overheid (mede) gefinancierde organisaties tot eerlijke contractvoorwaarden en tot aansluiting bij de geschillencommissie Auteurscontractenrecht en neem deze verplichting op als subsidievoorwaarde. Deze verplichting moet zowel gelden voor rechtstreeks door de overheid gefinancierde organisaties zowel voor de publieke omroepen als voor organisaties die subsidie ontvangen via de overheidsfondsen, zoals FPK, het Filmfonds, het Letterenfonds en diverse andere (media)fondsen.

4. Transparantiebepaling
De reeds bestaande wettelijke transparantieverplichting, die exploitanten verplicht om makers jaarlijks inzicht te geven in de exploitatie van hun werk wordt in vrijwel geen van de culturele- en mediasectoren nageleefd. De nieuwe wet moet heldere consequenties bevatten op het niet nakomen van deze wettelijke verplichting. Het voldoen aan deze wettelijke verplichting moet evenals eerlijke contracten en aansluiting bij de geschillencommissie worden opgenomen in subsidievoorwaarden (zie 3).

5. Onderscheid tussen honorarium en exploitatievergoeding
Voer, conform het advies van het WODC, de verplichting in om in contracten een helder onderscheid op te nemen tussen enerzijds het makershonorarium, de vergoeding voor het in opdracht gemaakte/te maken werk, en anderzijds de exploitatievergoeding, de vergoeding voor de exploitatie. Zoals het WODC-rapport motiveerde: “Daardoor zou het voor de contractspartijen en – in geval van geschil – de geschillencommissie en/of de rechter eenvoudiger worden vast te stellen welk deel van de aan de maker toekomende vergoeding aan de billijkheidsmaatstaf van de Wet ACR onderworpen is.” Hierdoor vergroot de wetgever de rechtszekerheid en biedt het alle betrokkenen een handvat tot het werkelijk beoordelen van de redelijkheid van vergoedingen.

6. Verplicht collectieve vergoeding voor online exploitatie
Voer naar voorbeeld van de Duitse en Belgische wetgevers het recht in op collectieve vergoedingen voor online exploitatie voor alle makers. Makers staan individueel machteloos ten opzichte van internetgiganten als Google, YouTube en Facebook. De Duitse en Belgische wetgevers introduceerden daarom een wettelijk collectieve vergoeding voor alle makers voor het gebruik van hun werk op de ‘user generated platforms’. Hetzelfde geldt voor de positie van makers ten opzichte van commerciële online exploitatie op platforms als Spotify, Storytel en Blendle. De Belgische wetgever introduceerde daarom ook voor die exploitaties een wettelijk verplichte collectieve vergoeding. Er is geen goede reden het voorbeeld van de wetgevers in deze belangrijkste buurmarkten niet na te volgen

7. AI
Het wetsvoorstel heeft een zeer lange voorbereiding gekend, maar de markt ontwikkelt zich door, onder meer door de snelle opkomst van generatieve AI. Hiermee wordt gebruik gemaakt van de prestaties van makers zonder dat makers nog ingehuurd worden. Verken daarom de mogelijkheden die de Europese wettelijke kaders bieden om in de Nederlandse wet sterkere bescherming aan de makers te bieden.

8. Betreffende film
Op 26 maart jl. hebben de onderhandelaars van filmmakers en exploitanten gefaciliteerd door de minister van Rechtsbescherming en de staatssecretaris van Cultuur een akkoord op hoofdlijnen bereikt over een vergoeding voor de exploitatie van Nederlandse filmwerken op de Nederlandse markt voor Video on Demand (VOD). Hiermee lijkt (in tegenstelling tot andere makers – zie onder 7) een oplossing in zicht voor het probleem van filmmakers dat ook zij niet betaald krijgen voor de online commerciële exploitatie van hun werk. Indien de exploitanten zich niet aan de afspraken houden, dan heeft de wetgever via een Algemene Maatregel van Bestuur, een stok achter de deur om in te grijpen. Daarvoor is strikte monitoring op naleving van de afspraken dan wel een vereiste. Over vergoedingen voor exploitatie op buitenlandse markten zijn verdere onderhandelingen noodzakelijk. Ditzelfde geldt voor de exploitatie van “vernederlandste producties”. Dat zijn producties die van origine niet Nederlands zijn, maar waaraan een Nederlandse component is toegevoegd. Ook hierbij is monitoring en een stok achter de deur een absolute noodzaak. Filmmakers blijven in het huidige wetsvoorstel met lege handen staan als het gaat om bioscoopvertoningen en andere vormen van commerciële openbare vertoning van hun filmwerken, zoals in vliegtuigen. Daarnaast ontvangen ook filmmakers geen vergoeding voor het gebruik van hun werk op ‘user generated platforms’ als YouTube en Facebook. Het is van belang ook voor deze exploitaties een proportionele en billijke vergoeding te garanderen.

 

Lees hier, voor meer details, onze brief aan de Tweede Kamer.